Opdracht 11 – Stemkastjes.

•February 14, 2009 • Leave a Comment

a. Lees van H10 in Jonassen de paragraaf ‘Clicker assessment tools’, pagina 231 tot en met 236.

Gedaan.

b. Bekijk op de website van ICT&E (www.ict-edu.nl, kies dan voor Crossmedia en dan voor E-clips) de twee filmpjes over stemkastjes:

Gedaan.

c. Schrijf op je blog een post over de inzet van stemkastjes in het onderwijs. Gebruik daarbij de ervaring uit de les, de tekst uit het boek én de filmpjes.

Stemkastjes zijn natuurlijk een accessoire voor een digitaal schoolbord. Zonder dit bord heb je er niets aan. Als je dit dus in de les wilt gebruiken heb je allereerst een digitaal schoolbord nodig. Als je in het bezit bent van zo’n bord zijn stemkastjes wel een must-have. Je kunt met deze kastjes namelijk heel gemakkelijk zorgen dat iedereen bij je les erbij blijft. Als je bijvoorbeeld vragen stelt via de kastjes, kan je pas verder als iedereen heeft gestemt. Je zorgt ervoor dat iedereen nadenkt en dus meedoet. Omdat iedereen de vraag beantwoord heb je zelf ook gelijk feedback op wat de leerlingen wel goed door hebben en wat niet. Ook zien leerlingen dat ze niet de enige zijn die fouten maken, waardoor ze meer durfen op school en dat heeft alleen maar meer voordelen.

Een ander goed punt om stemkastjes te gebruiken is dat het anoniem kan. Sommige onderwerpen in de klas kunnen nogal gevoelig liggen. Daarom kan het handig zijn om de leerlingen anoniem te laten stemmen, zodat ze hun mening toch kunnen geven zonder dat klasgenoten of leerkrachten weten wat ze eigenlijk in hadden getoetst. Zo kan je onverwachtte dingen tegenkomen die de leerlingen intoetsen.

Met de stemkastjes kunnen ook toetsen voor een cijfer worden gemaakt. Je kan op de geavenceerde kastjes veel invoeren, waardoor je zelfs hele zinnen zou kunnen invullen, maar ik vind dat je met stemkastjes je vooral moet richten op de kleinere meerkeuze toetsjes. Dit intypen gaat op zo’n kastje natuurlijk erg lang duren, vooral voor diegene die er niet zo geoefend mee is.  Om deze rede is het vooral aan te raden om de meerkeuze toetsjes af te nemen.

Zelf zou ik dus heel graag gebruiken maken van deze kastjes omdat je er een extra dimensie aan je lessen kunt geven. Je kunt kinderen dwingen om mee te doen en dat is voor mij een heel belangrijk punt. Het is namelijk een hele goede reflectie voor jezelf. Je ziet wat kinderen wel en niet snappen en kunt daarop inspelen. Een voordeel wat je niet kunt negeren.

Opdracht 10

•January 7, 2009 • 2 Comments

Opdracht 10 – expert op afstand

De volgende bijeenkomst houden we een webconference met een ‘onderwijs en ICT’ expert. Bereid je goed voor op deze webconference!

  1. Zoek op internet informatie op, over de ónderwijs en ICT’ expert. Probeer wat achtergrondinformatie over hem/haar en over zijn/haar bedrijf te verzamelen.

http://www.ict-edu.nl/sjablonen/ictene/index.asp?subsite=138

http://web.kennisnet2.nl/thema/ip_vo_docent

http://docent.kennisnet.nl/columns/ezines/08_02

  1. Bereid een aantal vragen voor rond het thema ‘expert op afstand’ (en video Conferencing in het bijzonder).

Bas:

1. Zal het gebruikelijk worden dat een ‘expert’ via video conference uitleg zal geven aan de leerlingen op een middelbare school.

2. Biologie is een vak waarbij veel echt materiaal bekeken moeten worden om het goed te kunnen begrijpen, de huidige technologie gaat vaak nog niet goed ver genoeg om goed te kunnen begrijpen hoe iets er nu echt uitziet of voelt. In hoeverre kan de zal de technologie dit authentieke materiaal gaan vervangen?

Bram:

Global teenager project:

Voor het aantonen van cultuur verschillen is dit project geweldig, maar kan dit ook niet gaan botsen, ten slechte van het algemener leren?

CNTS:

Dit project is een leeg vlak op de site. Wat is of wordt dit?

Expeditie Corlaer:

Klinkt als een leuke reis, maar hoe leer je er nou van en wat leer je!

Water 4 Water: Bioproject, leuk!

Gaat ook dit project wereldwijd als de meeste projecten?

Welk voordeel denk je te halen uit een drilling simulatie?

Waarom zou een project als deze beter een milieubewust gevoel geven dan andere projecten?

Sjoerd:

Wat is volgens u de kracht van een Digitaal Schoolbord?

Waarom is het zo belangrijk dat leraren goed overweg kunnen met deze borden?

Waarom worden veel smartboards alleen met een bepaald doel gebruikt, zoals presentaties geven of als overhead projector?

Is het niet handing om zo’n curus ook in Nederland te houden, want veel mensen zullen veel aan ervaringen van andere docenten hebben. Veel scholen kunnen namelijk niet voor elke docent zo’n reis aanbieden.

Wat is het belang van een goede persoon op afstand? En niet een met bijvoorbeeld de kennis maar die hier niets mee kan.

Bart:

in hoeverre bent u er van overtuigd dat computers het leerprocess voor leerlingen kan verbeteren?

wat is in uw ogen de idiaale digitale leeromgeving?

Kan het goed gebruik van digitaale schoolborden leraaren beter leraren maken of is alleen het middel beter?

bent u niet bang dat de digitalisatie van het onderwijs er voor kan zorgen dat de negatieve kanten van techniek versterkt worden bij leerlingen? bijv. alleen nog maar contact via computers. of de negatieve fisieke gevolgend die veel computeren heeft.

  1. Schrijf op je blog een post over de video conference. Verwerk in je post wat Jonassen schrijft over videoconferencing.

Ik vond deze video conference erg slecht verlopen. Van de antwoorden was vaak het belangrijke deel niet te horen, want de technologie werkte deze dag echt niet mee. Dat is erg jammer. Want een videoconference kan , als de technologie niet in de weg zit, heel erg handig zijn. Je bespaart namelijk reistijd en je hebt het zelfde effect.

Ik was dus lichtelijk teleurgesteld, ik had verwacht veel meer te leren, maar als driekwart van de tijd er ruis is valt dit niet mee.

http://www.youtube.com/watch?v=SCwiWiUWNx4

Hierbij een youtube filmpje waaruit blijkt dat dit niet helemaal goed is verlopen. Dit was de vraag van ons groepje, ik heb wel een soort van half antwoord gekregen dat luidde ongeveer als volgt: Het verbetert niet zozeer de kwaliteit van de docent, maar wel de vaardigheid van de docent. De docent verwerft zo andere kwaliteiten die betrekking hebben op andere competenties.

Daarentegen: Als het allemaal goed verloopt is dit een prachtig medium. Je staat in contact face to face met een expert op afstand. Je leert van zo iemand veel meer als van iemand die er minder verstand van heeft, de leerlingen willen deze man ook eerder geloven en staan meer open als iemand anders iets verteld dan altijd dezelfde leraar.

Kortom: Ik zou dit zelf alleen in de les gebruiken als ik er zeker van ben dat dit goed gaat. Als het zo op de middelbare school gaat word de les een chaos en is er weer een lesuur verspilt. Maar als ik dit gebruik zal ik het anders regelen. In veel kleinere groepen of individueel als de leerling een afspraak heeft gemaakt met zon expert. Het lijkt me niet slim om een leerling een vraag te laten stellen aan de expert en dat de rest van de klas joelend achterin zit en niet oplet. Dat is volgens mij niet de manier om dit te doen. Voor de rest vind ik het een prachtig idee, maar het moet wel goed geregeld zijn ( voor de groep ) en de techniek moet in orde zijn. Anders is het verspilde moeite.

d. Lees bij minimaal drie andere studenten de post van deze opdracht en laat een reactie achter.

Opdracht 9

•January 4, 2009 • 3 Comments

Opdracht 9 – experimenteren met ICT

  1. Lees H3 van jonassen en schrijf er een BIT verslag over op je blog.

Begrijpen.

In dit stuk werd er over programma’s in de ICT gesproken. Er werden zogenaamde ‘microworlds’ besproken. Dit is een programma die gebruikt maakt van turtles en je kunt deze commando’s geven. Om dit programma te gebruiken moest je wel knowhow van programmeren hebben om ermee te werken. Er waren simpele commands, maar om het programma goed te kunnen gebruiken moest je maanden ermee oefenen en sommige zouden het nooit leren. Daardoor werden er microworlds gemaakt door bedrijven die bijvoorbeeld alleen natuurkunde proeven konden namaken. Zo hoeven leerlingen niet de hele proef heel vaak uit te voeren, maar kunnen ze gewoon variabelen in het programma veranderen om tot een hele reeks proefjes te komen. Een ander voorbeeld van een microworld is SimCalc, een wiskundige programma wat vooral werkt met grafen. Met deze programma’s was het de bedoeling dat er hypotheses mee werden gemaakt, het ging door deze programma’s namelijk veel sneller dan om alles in het echt of op papier uit te rekenen. Ook worden er in dit hoofdstuk simulaties besproken. Deze programma’s zijn meer geavanceerd dan microworlds. Deze programma’s zijn meestal veel breder en kunnen voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Sommige zijn verandert in games. Deze kun je niet alleen in je vrije tijd gebruiken, maar ook als leermiddel. Voorbeelden hier van zijn SimCity of Civilization. Het kan zelfs nog verder, er zijn hele virtuele werelden waarin mensen kunnen gaan leren. Quest Atlantis is een hele mooie, hiermee kan je allerlei ‘quests’ doen die te maken hebben met de wereld om je heen. Deze ‘quests’ zijn opdrachten als: Kies een dier dat in je omgeving leeft en waarvan je nog niet veel leeft. Ga opzoek naar wat deze dieren normalitair doen, waar ze wonen en wat ze gebruiken om te schuilen. Kom hierna terug naar mij en breng verslag uit van wat je hebt gevonden. Hier leren leerlingen dus op een speelse manier meer over een bepaalt diersoort. Ze zijn tegelijkertijd aan het leren en bezig dus leren ze veel meer.

De argumentatie die gebruikt word is vooral: Als de leerlingen bezig zijn met iets wat ze leuk vinden en ze leren er ook nog wat van het leerproces gigantisch versterkt. Ze leren er veel meer van dan alleen opdracht maken en naar de leraar luisteren. Ik ben het hier opzich wel mee eens, maar ik denk dat ze vooral het spel gaan spelen en niet echt proberen te gaan leren. Ik zou in de les ook nooit games gaan spelen, omdat ik die tijd veel beter kan gebruiken. Wel zou ik simulaties aan mijn leerlingen laten zien, want ik heb uit eigen ervaring hier veel van geleerd als een onderwerp lastig was.

Ik heb daarom ook als vraag: Hoe weet je of leerlingen echt iets van een game/simulatie leren of dat ze er alleen maar aan het kloten zijn. Dus hoe zorg je er nu precies voor dat een kind iets aan de simulatie/game iets heeft?

Ik heb zelf nog geen ervaringen met games, maar simulaties zijn wel erg handig vind ik zelf. Ik heb namelijk vroeger op school best veel aan simulaties op site of cd-rom’s gehad. Als ik iets niet snapte en je kon het nog een keer nakijken via een simulatie hoe het nu precies ging, snapte ik het veel beter. Van games heb ik daarentegen niet veel geleerd, alleen mijn Engels was wel erg goed doordat veel games in het Engels zijn.

Ik heb al voorbeelden aangegeven in de tekst hierboven, maar voorbeelden van games waaruit nog iets te leren valt is bijvoorbeeld Age of Empires.

Ik zou in mijn eigen onderwijs nu veel meer simulaties gaan gebruiken, omdat ik zelf vroeger heb gemerkt dat dit echt helpt om iets duidelijk te maken. Wat is nu duidelijker dan zelf zien hoe het werkt? Dat is veel mooier dan als iemand het verteld. Verder zou ik nog steeds geen games gaan maken. Er zit naar mijn smaak altijd te veel ‘ruis’ in games waardoor het leerproces langzamer word.

Mijn voornemens zijn dus goed opzoek gaan naar simulaties die ik kan ga gebruiken in de wiskunde lessen.

  1. Lees bij minimaal drie andere studenten de post van deze opdracht en laat een reactie achter.

Opdracht 8

•January 3, 2009 • 4 Comments

Opdracht 8 –forumdiscussies in het onderwijs

In H7 van Jonassen staat beschreven waarom forumdiscussies een krachtig middel kunnen zijn om het leren te bevorderen. Je vindt daar ook een aantal aanbevelingen om forumdiscussies op een effectieve manier in het onderwijs in te zetten.

  1. Lees H7 van Jonassen.
  2. b. Lees de forumdiscussie in bijlage 2 en gebruik H7 van Jonassen om de onderstaande vragen te beantwoorden.

1. Lees de forumdiscussie in bijlage 2.

2. Welke reactie vind je het meest nuttig voor de probleeminbrenger?
Onderbouw je antwoord met behulp van het boek.

Ik vind het eerste antwoord van dark dizie het beste. Die pakt het probleem in de kern aan en geeft een antwoord waar de probleeminbrenger echt wat mee kan. Ze geeft namelijk een kort, maar krachtig antwoord waarmee de probleeminbrenger direct mee aan de slag kan en niet eerst een heel antwoord moet ontleden. De andere antwoorden waren vaak ook iets te hoog gegrepen.

3. Welke reactie vind je het minst nuttig voor de probleeminbrenger?
Onderbouw je antwoord m.b.v. het boek.

De post van Illusion. Hij geeft erg veel informatie die ook erg diep gaat. Ik denk niet dat hij het probleem heel goed heeft begrijpen, maar geeft wel een zeer uitgebreid antwoord. Ook zijn antwoord klopt niet helemaal zodat de bekende ruis optreed.

4. De discussie is niet gevoerd tussen klasgenoten. Daardoor komen potentiële problemen met forumdiscussies scherper naar boven. Er is ook geen moderator aanwezig om de discussie bij te sturen. Stel jij bent de moderator. Schrijf een interventie voor een specifieke plaats in de discussie. De interventie moet bedoeld zijn om de deelnemers elkaar beter te laten helpen. Je schrijft dus niet over de inhoud van het probleem, maar over het proces van samenwerking.

Ik zou reageren op de probleeminbrenger. Ik zou hem vragen om het probleem nog iets duidelijk te maken, of is zijn probleem al opgelost door een post die op het forum is geplaatst.

  1. Zet op sharepoint een forumdiscussie op voor je eigen groepje. De discussie moet gaan over een onderwerp uit de cursus. Iedere deelnemer schrijft minstens twee bijdragen en er is een moderator gekozen. Als de discussie ten einde is, analyseren jullie het geheel. Je beschrijft dan op je blog in hoeverre de discussie voldoet aan de aanbevelingen van Jonassen.

Opdracht 7

•January 3, 2009 • Leave a Comment

Opdracht 7 – cognitieve multimedia theorie
a. Lees ‘2. ontwerpen van multimedia leermaterialen’ uit Digitaal leren: ICT-toepassingen in het hoger onderwijs. Dat hoofdstuk staat als PDF op de SharePoint website.
b. Bekijk de drie voorbeelden en leg deze naast de zeven principes van de Cognitieve Multimedia Theorie. In hoeverre voldoen de voorbeelden aan deze zeven principes?

We hebben drie voorbeelden aan zes criteria gelegd. We hebben ze daarna een score van 1 tot 5 gegeven. Deze criteria zijn:

De drie voorbeelden zijn:

RSS in Plain English: http://www.youtube.com/watch?v=0klgLsSxGsU

1. 5
2. 5
3. 5
4. 5
5. 5
6. 4
Bloedgroepen: http://www.bioplek.org/animaties%20onderbouw/bloedgroepeenvABO.html
1. 5
2. 5
3. 5
4. 4
5. 1
6. 1

How cd’s work: http://electronics.howstuffworks.com/cd5.htm
1. 5
2. 3
3. 4
4. 5
5. 1
6. 1

c. Zoek zelf nog twee voorbeelden van digitaal leermateriaal en ga na in hoeverre die voorbeelden voldoen aan de zeven principes. Schrijf daar een post over op je blog.

Breuken: http://oneweb.utc.edu/~Christopher-Mawata/instructor/tsukuba2.htm

1. 5
2. 5
3. 5
4. 4
5. 1
6. 1
7. 3

Zelf vind ik deze applet zeer goed toe te passen bij kinderen, want zo krijgen ze een goed idee wat breuken zijn. Ze kunnen er snel zelf achterkomen wat het nu precies betekent. Ik zou deze applet zeker in een eerste jaars TL klas gebruiken.

Thermometer: http://www.ies.co.jp/math/java/geo/therm/therm.html

1. 5
2. 5
3. 5
4. 3
5. 1
6. 1
7. 5

Dit vind ik een zeer goede applet om duidelijk te maken wat negatieve getallen nu precies zijn. Iedereen weet wat een thermometer is dus het is ook voor alle leerlingen makkelijker te begrijpen dan wanneer iemand het via theorie zou proberen uit te leggen. Ook een applet die ik zou willen gebruiken in een eerste klas.

d. Lees bij minimaal drie andere studenten de post van deze opdracht en laat een reactie achter.

Dossieropdracht 6

•January 2, 2009 • Leave a Comment

Opdracht 6 – Informatievaardigheden
Informatievaardigheden is meer dan alleen goed kunnen zoeken op internet.
a. Lees van H2 in Jonassen de paragraaf ‘Information gathering with internet resources’, pagina 14 tot en met 24

Casus
Toos, de teamleider van de onderbouw heeft je gevraagd om mee te denken over het pestbeleid op jouw school. Je hebt wel eens positieve berichten gehoord over de ‘No Blame aanpak’ en je belooft Toos om daar wat informatie over op te zoeken.

Je komt met de ‘search string’ in Google (voorkeur Nederlands) op de volgende site: www.noblame.nl
( … Yes … de eerste op de lijst! Wat is het toch lekker om zoekstrategieën te beheersen….)

b. Toos weet al veel over pestbeleid, dus je wilt haar niet lastig vallen met flut-informatie. Daarom ga je de site aan jouw kritische blik onderwerpen.
A. Beantwoord in je groepje de vragen op bladzijde 22 van Jonassen

1: De informatie is gegeven door de vereniging No Blame Nederland dit doen ze om het product kenbaar te maken en te verkopen.

2: Ja, ze hebben ervaring in het veldgebied

3:Ja, de site word gepubliceerd door de organisatie overzee-borstlap en die kennen wij niet.

4: Deze organisatie toont zeker interesse. Ze willen het pesten op scholen stoppen door middel van een cursus en geven uitgebreid aan wat voor ervaringen ze hiermee hebben. Daarnaast willen ze natuurlijk graag deze cursus verkopen.

5: Nee, ze zijn niet verbonden aan een overheidsorganisatie. Ze staan op zichzelf.

6: Er word matig aangegeven of de site is geüpdate, alleen in jaartallen. De copyright is gedateerd aan 2007.

7: Nee, er is geen goede bronnenlijst. Alleen een paar linkjes en een verwijzing naar een boek waar ik nog nooit van heb gehoord.

8: Is er dus niet, alleen die linkjes dus. Deze gaan over het algemeen niet over pesten of maar voor een klein deeltje.

9: Je kunt hooguit de scholen mailen, maar er staat geen telefoonnummer bij waardoor je deze bronnen kan nachecken.

B. Welke van de vragen van Jonassen heeft je het meest opgeleverd?

Voor ons was dit vraag 1, omdat deze gelijk de intenties van de site blootlegt. Je ziet of ze wat willen verkopen of dat ze alleen willen informeren of misschien nog iets anders. Een ander belangrijk punt vind ik zelf is de bronvermelding, want zo kan je zien of iets niet compleet verzonnen is.

C. Welke vragen van Jonassen heeft je het minst opgeleverd?

Vraag 3, want het maakt ons vrij weinig uit wie de site gepubliceerd heeft, als de informatie die er op staat maar klopt.

D. Welke vragen van Jonassen vind je voor leerlingen het belangrijkst?

Vraag 7, omdat leerlingen met een verslag altijd een bronnenlijst moeten maken, als deze er niet is dan is de informatie voor de leerlingen niet goed. Want deze word op de scholen dan ook niet goed gekeurd.

E. Hoe zou je willen bevorderen dat leerlingen deze vragen automatisch gaan stellen als ze het internet als bron voor informatie gebruiken?

Via een rubric een keer een opdracht maken waarbij de ze site moeten beoordelen op betrouwbaarheid.

Van andere studenten kwam deze informatie binnen:

Een plan opstellen met punten die ze kunnen aankruisen om te bepalen of een site betrouwbaar is of niet. Dit kan in de vorm van een tabel of checklist.
Zelf herhalen en dus het goede voorbeeld geven.
Op bronnen beoordelen in werkstukken, bijv. bij een Wikipedia een streep erdoor heen, punten aftrek als ze verkeerde bronnen gebruiken.
Bronvermelding verantwoorden.

c. Schrijf op je blog een post over deze opdracht. Beantwoord eventueel zelf vraag E, als je daar in de les niet aan toe bent gekomen.
d. Lees bij minimaal drie andere studenten de post van deze opdracht en laat een reactie achter.

Dossieropdracht 4.

•November 26, 2008 • 4 Comments

Hoi mensen,

Hierij dossieropdracht 4, hoop dat jullie er wat aan hebben.

BIT-verslag hoofdstuk 2 Jonassen.

- begrijpen:

o Is de strekking van wat je leest jou duidelijk?
o Is de argumentatie helder en juist?
o Welke vragen heb je n.a.v. de strekking en argumentatie?

- integreren:

o Hoe past wat je hebt gelezen bij jouw eigen ervaringen?
o Heb je voorbeelden of tegenvoorbeelden bij wat je hebt gelezen?
o Welke verbanden zie je met andere onderwerpen of theorieën?
o Wat spreekt je wel/niet aan en wat vind je wel/niet belangrijk?

- toepassen:

o Welke mogelijkheden zie je om wat je hebt gelezen toe te passen in je eigen onderwijspraktijk?
Welke concrete voornemens maak je hierbij?

Begrijpen.

Ik vond het verhaal over het algemeen goed te volgen. Ik merkte wel dat ik bij sommige woorden echt niet wist wat ze ermee bedoelden, maar dit werd later weer duidelijk gemaakt door middel van voorbeelden en de context. Hierdoor heb ik de tekst voldoende kunnen begrijpen. De uitleg die ze gaven vond ik wel wat minder helder. Er werden weinig praktijkvoorbeelden naar voren gebracht waarom het ene wel juist was en het andere niet. De begrippen die ze noemden: active, constructive, intentional, authentic en cooperative lijken me zeer lastig om allemaal goed in een opdracht of uitleg te verwerken. Wel vond ik het goed dat ze zeiden dat je technologie moest gebruiken om ermee te leren. Niet in plaats van de docent. Ik denk dat ze daarmee bedoelen dat het gewoon een hulpmiddel als extra’tje is en dat je niet technologie moet gebruiken om gewoon informatie over te dragen. Dat doet de docent al en word het leren er niet effectiever van. Ook stond er in het hoofdstuk dat je meer leert, als je de achterliggende gedachte achter een formule snapt. Je moet dus de context weten waar een bepaalde formule bij kan horen.

Integreren.

In het stukje stond ook ergens: denken is leren. Ik denk dat dit heel belangrijk is bij het vaak wiskunde. Als je alleen maar naar de leraar luistert en er voor de rest niks mee doet leer je er niks van. Je moet het echt willen. Je moet dus nadenken over wat er gezegd word, dan ga je pas leren. Dan maak je je de stof pas echt eigen. Er staat ook dat leerlingen beter gaan leren als ze actief bezig zijn. Dit klopt zeker. Als je voor bijvoorbeeld wiskunde sommetjes gaat maken, leer je er veel meer van dan dat je alleen maar de samenvatting gaat zitten bestuderen. Je leert dus gewoon door te doen.
Er stond dus in het hoofdstuk dat je meer snapt van een bepaalde formule, als je de gedachte erachter weet. Dit had ik vroeger ook met natuurkunde. 3de klas hadden we een toets waarbij bijna iedereen onvoldoende voor haalde. Het was voor iedereen echt abacadabra. Toen we een zelfde toets later in de 5de klas kregen, om te oefenen voor het examen, ging het iedereen veel makkelijker af. Dit kwam omdat we ondertussen wisten hoe de formule echt in zijn werk ging. We begrepen de context van de som en konden zo veel makkelijker alle sommetjes oplossen. Omdat iedereen nu de sommetjes en de formules snapten werden er alleen maarhoge cijfers gehaald.
Ook valt het op dat deze theorie veel op het nieuwe leren lijkt. Rommel zelf maar wat aan, daar leer je meer aan dan als de leraar alles voorkauwt.

Toepassen:

Ik ga deze theorie zeker toepassen en heb dat ook al gedaan. Ik heb namelijk met mijn klas al sommetjes geoefend op de computer, die hierop makkelijker en sneller gaan dan op papier. Learning with technology dus. Ook ga ik ervoor zorgen dat leerlingen echt nadenken in mijn lessen, in plaats van dat ze alles alleen maar overschrijven van het bord. Ik ga dus een stukje individuele aanspraakbaarheid in mijn lessen proberen te brengen. Zelf zou ik ook alleen maar technologie gebruiken als het helpt om iets beter te snappen. Ik zou het niet voor niks gebruiken, sommige collega’s gebruiken alleen maar computers om computers te gebruiken. Zo’n persoon ben ik dus niet. Wel zou ik het een keer kunnen gebruiken om het onderwijs leuker te maken. Hierdoor zullen de kinderen weer meer motivatie krijgen voor mijn vak, wat natuurlijk nooit mis iets. Maar ik zou dit nog niet doen als het niks uithaalt, dus niet alleen maar omdat mijn leerlingen het leuk vinden. Nee, het moet ook echt nut hebben.

Digitale Footprint

•November 19, 2008 • 4 Comments

Hey mensen,

Hierbij post ik mijn digitale verhaaltje over wat ik zoal allemaal op de pc doe. Ik hoop dat het jullie kan boeien en ik lees wel wat jullie ervan vinden. Later mensen.

Hello world!

•November 12, 2008 • 1 Comment

Welcome to WordPress.com. This is your first post. Edit or delete it and start blogging!

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.